Waarom een veroordeelde verdachte soms toch vrij blijft: analyse van een recente zaak
Inhoudsopgave
Waarom een veroordeelde verdachte soms toch vrij blijft: analyse van een recente zaak
26 september 2025
Waarom blijft een veroordeelde verdachte soms toch op vrije voeten? Uitleg aan de hand van een recente zaak
In de media verscheen recent een zaak waarbij een man, kort na zijn veroordeling voor geweld tegen zijn gezin, betrokken raakte bij ernstige feiten. Dit roept vragen op over het functioneren van justitie en de bescherming van slachtoffers. In dit artikel leggen we uit waarom een veroordeelde verdachte soms toch niet onmiddellijk in de gevangenis belandt.
De feiten en de veroordeling
De verdachte werd veroordeeld voor jarenlang fysiek en verbaal geweld tegen zijn partner en kinderen. De rechter sprak van ernstige feiten die een klimaat van onzekerheid, stress en angst veroorzaakten bij de slachtoffers. De man kreeg één jaar cel, waarvan de helft met uitstel, en een geldboete. Het openbaar ministerie had een effectieve gevangenisstraf gevraagd, maar de rechter hield rekening met het blanco strafblad en het vooruitzicht op werk.
Diepere analyse van de feiten en de juridische kwalificatie
De vastgestelde feiten, namelijk jarenlang fysiek en verbaal geweld tegen partner en kinderen, vallen onder de kwalificatie van intrafamiliaal geweld. Dit type geweld wordt in België steeds serieuzer genomen en specifiek aangepakt, hoewel de wettelijke kaders nog steeds evolueren. Het geweld creëerde een 'klimaat van onzekerheid, stress en angst', wat duidt op psychisch geweld naast het fysieke geweld. Dit is cruciaal, aangezien psychisch geweld, hoewel moeilijker te bewijzen, even destructief kan zijn en in het strafrecht steeds meer erkenning krijgt als een strafbare daad, vaak onder de noemer van belaging (artikel 442bis Strafwetboek) of slagen en verwondingen (artikel 398 e.v. Strafwetboek) indien er een fysieke component is.
De kwalificatie van de feiten is van groot belang voor de strafmaat. Indien er sprake is van 'gewoon' geweld, zijn de straffen lager dan wanneer het geweld wordt gepleegd binnen een intrafamiliale context of tegen kwetsbare personen, zoals kinderen. Artikel 400 van het Strafwetboek voorziet bijvoorbeeld in strafverzwaringen wanneer slagen en verwondingen worden toegebracht aan bloedverwanten in de opgaande of neergaande lijn, echtgenoten of samenwonenden.
De rol van het Openbaar Ministerie en de strafvordering
Het openbaar ministerie (OM) had in deze zaak een effectieve gevangenisstraf geëist. Dit betekent dat het OM van mening was dat de ernst van de feiten en de noodzaak tot bestraffing en preventie een onmiddellijke opsluiting rechtvaardigden. De eis van het OM is een belangrijke indicator van de maatschappelijke bezorgdheid en de juridische inschatting van de zaak. Het OM vertegenwoordigt de maatschappij en heeft de taak om de wet te handhaven en de openbare orde te beschermen.
De afweging van de rechter: strafmaat en verzachtende omstandigheden
De rechter heeft uiteindelijk een gevangenisstraf van één jaar opgelegd, waarvan de helft met uitstel, en een geldboete. Dit is een veelvoorkomende strafmodaliteit in het Belgische strafrecht. De rechter hield rekening met twee belangrijke factoren:
- Blanco strafblad: Een blanco strafblad wordt vaak beschouwd als een belangrijke verzachtende omstandigheid. Het suggereert dat de verdachte voorheen niet in aanraking is gekomen met justitie en dat de gepleegde feiten mogelijk een 'eenmalige' ontsporing zijn, hoewel in dit geval de duur van het geweld (jarenlang) deze interpretatie enigszins nuanceert.
- Vooruitzicht op werk: Het vooruitzicht op werk wordt eveneens vaak als een verzachtende omstandigheid beschouwd. Een stabiele werksituatie draagt bij aan de re-integratie van de veroordeelde in de maatschappij en vermindert de kans op recidive. Het verlaagt ook de maatschappelijke kosten die gepaard gaan met werkloosheid en opsluiting.
De beslissing van de rechter om een deel van de straf met uitstel te verlenen, is gebaseerd op artikel 3 van de Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie. Dit artikel stelt de rechter in staat om, onder bepaalde voorwaarden, de tenuitvoerlegging van de straf geheel of gedeeltelijk op te schorten. Het doel hiervan is de veroordeelde een kans te geven zich te herpakken zonder onmiddellijk de maatschappij uit te worden gezet, vaak onder toezicht of met specifieke voorwaarden.
De discrepantie tussen de eis van het OM en de uiteindelijke straf toont de discretionaire bevoegdheid van de rechter aan. De rechter is niet gebonden aan de vordering van het OM, maar moet zijn beslissing motiveren op basis van de feiten, de bewijzen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in overeenstemming met de wet.
Waarom geen onmiddellijke opsluiting?
Na een vonnis hebben partijen dertig dagen om beroep aan te tekenen. Gedurende deze periode is het vonnis nog niet definitief en kan de veroordeelde in principe op vrije voeten blijven. Bovendien worden gevangenisstraffen van zes maanden of minder in de praktijk niet uitgevoerd, onder meer door overbevolking in de gevangenissen. Een onmiddellijke aanhouding kan pas vanaf een gevangenisstraf van drie jaar, met enkele uitzonderingen.
Het principe van het niet-definitieve vonnis en de beroepstermijn
Het Belgische rechtssysteem is gebaseerd op het principe van de dubbele aanleg (en soms cassatie), wat betekent dat een uitspraak van de eerste rechter niet onmiddellijk definitief is. Zowel de veroordeelde als het Openbaar Ministerie heeft het recht om binnen een termijn van dertig dagen beroep aan te tekenen tegen het vonnis. Deze termijn begint te lopen vanaf de dag van de uitspraak (artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering). Gedurende deze beroepstermijn heeft het vonnis geen 'kracht van gewijsde', wat betekent dat het nog niet onherroepelijk is. De tenuitvoerlegging van de straf wordt in principe opgeschort in afwachting van een eventueel beroep of het verstrijken van de termijn.
Dit is een fundamenteel principe van een eerlijk proces, dat de partijen de mogelijkheid biedt om een hogere rechtbank hun zaak opnieuw te laten beoordelen. Het voorkomt dat mensen onterecht of op basis van een discutabel vonnis onmiddellijk worden opgesloten. Pas wanneer de beroepstermijn is verstreken zonder dat beroep is aangetekend, of wanneer een hogere rechtbank (Hof van Beroep) uitspraak heeft gedaan, wordt het vonnis definitief en kan de straf worden uitgevoerd.
De praktische realiteit van de strafuitvoering: korte gevangenisstraffen
De bewering dat gevangenisstraffen van zes maanden of minder in de praktijk niet worden uitgevoerd, is een pijnlijke realiteit in België. Hoewel de wet geen expliciete vrijstelling voorziet voor deze korte straffen, leidt de combinatie van chronische overbevolking in de Belgische gevangenissen, budgettaire beperkingen en de prioriteit die wordt gegeven aan langere straffen en gevaarlijkere criminelen, ertoe dat de Dienst Vreemdelingen en Grensbewaking (DVG) en de penitentiaire instellingen (Dienst Strafuitvoering) deze korte straffen vaak niet daadwerkelijk ten uitvoer leggen. Dit betekent niet dat de straf 'verdwijnt', maar dat de uitvoering ervan wordt uitgesteld, vaak voor onbepaalde tijd, of dat er alternatieven worden gezocht zoals elektronisch toezicht, hoewel dit voor zeer korte straffen zelden gebeurt.
Dit beleid is het resultaat van een gebrek aan capaciteit en middelen en wordt al jaren bekritiseerd door zowel juridische professionals als maatschappelijke organisaties. Het ondermijnt het geloof in de rechtstaat en kan leiden tot een gevoel van straffeloosheid bij daders en frustratie bij slachtoffers.
Onmiddellijke aanhouding: de uitzonderingen
De regel dat een onmiddellijke aanhouding pas mogelijk is vanaf een gevangenisstraf van drie jaar (artikel 33 van het Wetboek van Strafvordering), kent enkele cruciale uitzonderingen die bedoeld zijn om de openbare veiligheid te waarborgen:
- Vluchtgevaar: Als er een reëel en concreet risico bestaat dat de veroordeelde zal vluchten om de uitvoering van de straf te ontlopen, kan de rechter een onmiddellijke aanhouding bevelen, zelfs bij een kortere straf.
- Gevaar voor de openbare veiligheid: Indien de veroordeelde een ernstig gevaar vormt voor de openbare veiligheid, bijvoorbeeld door de aard van de feiten (zeer ernstig geweld, zedendelicten) of een hoge kans op recidive, kan de rechter eveneens besluiten tot onmiddellijke aanhouding. Dit wordt vaak gemotiveerd door de noodzaak om de maatschappij te beschermen.
- Recidive: Bij herhaaldelijke veroordelingen, zeker voor gelijkaardige feiten, kan de rechter sneller overgaan tot onmiddellijke aanhouding, ongeacht de duur van de straf.
- Specifieke wettelijke bepalingen: Bepaalde misdrijven kennen specifieke wettelijke bepalingen die onmiddellijke aanhouding mogelijk maken, onafhankelijk van de strafmaat. Denk hierbij aan zware misdrijven of specifieke vormen van terrorisme.
In de besproken zaak was de straf van één jaar, waarvan de helft met uitstel, te kort voor een automatische onmiddellijke aanhouding en waren er blijkbaar geen uitzonderlijke omstandigheden (zoals acuut vluchtgevaar of een zeer hoog risico voor de openbare veiligheid, althans niet op het moment van de uitspraak) die een dergelijke maatregel rechtvaardigden in de ogen van de rechter.
Contactverbod en voorwaarden
Opmerkelijk was dat er geen contactverbod werd opgelegd door de rechter, hoewel dit tijdens het onderzoek wel gold. In de praktijk wordt een uitspraak vaak gezien als het einde van dergelijke maatregelen, tenzij het vonnis definitief is. Ook werden er geen voorwaarden gekoppeld aan de straf met uitstel, zoals verplichte begeleiding of een cursus agressiebeheersing. De rechter vond dit niet werkbaar omdat de veroordeelde onvoldoende Nederlands sprak, en er zijn weinig anderstalige voorzieningen beschikbaar.
Het belang en de duur van een contactverbod
Een contactverbod is een cruciale beschermingsmaatregel voor slachtoffers van intrafamiliaal geweld. Tijdens het onderzoek en de voorlopige hechtenis wordt een contactverbod vaak preventief opgelegd in het kader van de voorwaarden voor vrijlating onder toezicht, of als een aparte maatregel om de slachtoffers te beschermen tegen verdere intimidatie of geweld. Artikel 41 van de Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis voorziet in de mogelijkheid om een contactverbod op te leggen als voorwaarde voor invrijheidstelling.
De opmerking dat "een uitspraak vaak wordt gezien als het einde van dergelijke maatregelen, tenzij het vonnis definitief is," verwijst naar de overgangsfase tussen het onderzoek en de definitieve strafuitvoering. Wanneer een vonnis wordt uitgesproken, vervallen de voorlopige maatregelen die tijdens de procedure golden, tenzij de rechter in het vonnis expliciet besluit deze maatregelen te handhaven of nieuwe op te leggen. Dit betekent dat als de rechter in dit specifieke geval geen nieuw contactverbod heeft opgelegd in het vonnis, het eerdere, tijdelijke contactverbod inderdaad kon vervallen. Dit is een juridisch hiaat dat in de praktijk soms tot gevaarlijke situaties kan leiden voor slachtoffers.
De mogelijkheid om een contactverbod op te leggen als onderdeel van een straf met uitstel of als autonome maatregel is wel degelijk aanwezig in het Belgische recht. Artikel 3 van de Wet van 29 juni 1964 (opschorting, uitstel en probatie) maakt het mogelijk om bijzondere voorwaarden te verbinden aan een strafuitstel, waaronder een verbod om contact op te nemen met bepaalde personen. Dat dit hier niet is gebeurd, is opmerkelijk en verdient nadere aandacht.
De rol van voorwaarden bij strafuitstel
Het niet opleggen van voorwaarden zoals verplichte begeleiding of agressiebeheersing bij een straf met uitstel is eveneens een gemiste kans voor re-integratie en preventie van recidive. Strafuitstel is immers bedoeld om de veroordeelde een kans te geven, maar deze kans is het meest effectief wanneer ze gekoppeld is aan maatregelen die de onderliggende problemen aanpakken. Denk aan:
- Verplichte psychologische of therapeutische begeleiding: Om de oorzaken van het geweld aan te pakken.
- Cursussen agressiebeheersing: Om de veroordeelde te leren omgaan met conflicten en frustraties zonder geweld.
- Opvolging door een justitieassistent: Voor regelmatige controle en ondersteuning.
- Vergoeding van de schade aan de slachtoffers: Als herstelmaatregel.
Deze voorwaarden worden vaak opgelegd door de probatiecommissie, die toezicht houdt op de uitvoering van de proefperiode. Het feit dat dit hier niet is gebeurd, wijst op een lacune in het systeem of een bewuste keuze van de rechter.
Taalbarrières en het gebrek aan anderstalige voorzieningen
De motivering van de rechter voor het niet opleggen van voorwaarden – dat de veroordeelde onvoldoende Nederlands sprak en er te weinig anderstalige voorzieningen beschikbaar zijn – legt een structureel probleem bloot binnen het Belgische justitiële en zorglandschap. Effectieve begeleiding en re-integratie vereisen een adequate communicatie. Indien daders de taal van de hulpverleners niet machtig zijn, is de kans op succesvolle interventie aanzienlijk kleiner. Dit probleem speelt niet alleen bij agressiebeheersing, maar ook bij andere vormen van begeleiding, zoals verslavingszorg of psychologische therapie.
Dit tekort aan anderstalige voorzieningen is een belangrijke uitdaging voor de Belgische overheid. Het ondermijnt niet alleen de effectiviteit van straffen met uitstel, maar ook de principes van gelijkheid en rechtvaardigheid. Het benadrukt de noodzaak van investeringen in meertalige ondersteuning binnen de justitiële keten en de welzijnssector. Zonder deze investeringen blijven slachtoffers en daders in een precaire situatie, waarbij daders niet de nodige ondersteuning krijgen om hun gedrag te veranderen en slachtoffers onvoldoende beschermd blijven.
Conclusie
Deze zaak toont aan dat wettelijke procedures, praktische beperkingen en het ontbreken van specifieke voorzieningen kunnen leiden tot situaties waarin een veroordeelde verdachte toch op vrije voeten blijft. Dit onderstreept het belang van verdere investeringen in justitie, begeleiding en integratie, om zowel daders als slachtoffers beter te beschermen.
De complexe interactie tussen recht, praktijk en maatschappij
De analyse van deze zaak openbaart de complexe wisselwerking tussen de letter van de wet, de praktische uitvoerbaarheid binnen het justitiële apparaat en de maatschappelijke verwachtingen. Het Belgische strafrecht is ontworpen met het oog op proportionaliteit, herstel en re-integratie, maar de uitvoering ervan wordt vaak gehinderd door een gebrek aan middelen en specifieke voorzieningen.
De aanwezigheid van een beroepstermijn van dertig dagen is een hoeksteen van ons rechtssysteem, die de rechten van de verdediging waarborgt. Echter, in zaken van intrafamiliaal geweld kan deze periode een risico vormen voor de veiligheid van de slachtoffers, vooral als er geen expliciet contactverbod wordt opgelegd of gehandhaafd. Dit vraagt om een kritische heroverweging van de procedurele waarborgen in dergelijke gevoelige dossiers.
De realiteit van niet-uitgevoerde korte gevangenisstraffen is een symptoom van de structurele overbevolking in Belgische gevangenissen. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de geloofwaardigheid van het strafrecht, maar ook voor de effectiviteit van de straf zelf. Een straf die niet wordt uitgevoerd, verliest zijn preventieve en bestraffende functie. Het dwingt de wetgever en de uitvoerende macht om creatieve en effectieve alternatieven te zoeken, zoals versterkt elektronisch toezicht of intensieve probatiebegeleiding, die zowel de maatschappij beschermen als de re-integratie van de dader bevorderen.
Het ontbreken van voorwaarden bij strafuitstel, met name door taalbarrières, is een duidelijk voorbeeld van hoe praktische obstakels de effectiviteit van juridische instrumenten kunnen ondermijnen. Een straf met uitstel zonder begeleiding of therapie mist vaak zijn doel en kan leiden tot recidive. Dit benadrukt de dringende noodzaak om te investeren in meertalige en cultureel sensitieve hulpverlening binnen de justitiële en welzijnssector. Het gaat niet alleen om het aanbieden van vertalingen, maar om het ontwikkelen van programma's die rekening houden met de specifieke achtergronden en behoeften van anderstalige veroordeelden.
Oproep tot actie en investering
De conclusie dat er "verdere investeringen in justitie, begeleiding en integratie" nodig zijn, is geen loze kreet, maar een concrete oproep tot actie. Deze investeringen moeten gericht zijn op:
- Versterking van de rechterlijke macht: Om rechters in staat te stellen sneller en efficiënter te werken, en om meer tijd te kunnen besteden aan complexe zaken en het opvolgen van specifieke maatregelen.
- Uitbreiding van de gevangeniscapaciteit en alternatieve straffen: Om de overbevolking aan te pakken en korte straffen effectiever te kunnen uitvoeren, of om zinvolle alternatieven te bieden die de maatschappij ten goede komen.
- Ontwikkeling van gespecialiseerde begeleidingsprogramma's: Met name voor daders van intrafamiliaal geweld, inclusief meertalige en interculturele ondersteuning. Dit omvat agressiebeheersing, psychologische begeleiding en re-integratietrajecten.
- Verbetering van slachtofferbescherming: Door snellere en effectievere contactverboden, noodopvang en psychologische ondersteuning voor slachtoffers, ongeacht de fase van de procedure.
- Betere coördinatie tussen justitie, politie en welzijnszorg: Om een naadloze opvolging te garanderen en hiaten in de bescherming en begeleiding te dichten.
Alleen door een integrale aanpak kunnen we ervoor zorgen dat het rechtssysteem niet alleen straft, maar ook bijdraagt aan de veiligheid van de maatschappij en de kansen op een betere toekomst voor alle betrokkenen.
LawBase Advocaten Brugge – Uw partner in strafrecht en slachtofferbescherming.
Veelgestelde Vragen (FAQ)
Vraag 1: Wat is het verschil tussen een effectieve en een gevangenisstraf met uitstel?
Een effectieve gevangenisstraf betekent dat de veroordeelde de opgelegde straf daadwerkelijk in de gevangenis moet uitzitten. Dit wordt meestal toegepast bij ernstige misdrijven of bij recidive. Een gevangenisstraf met uitstel (of gedeeltelijk uitstel) betekent dat de uitvoering van de straf, of een deel ervan, wordt opgeschort onder bepaalde voorwaarden of voor een bepaalde proefperiode. Als de veroordeelde zich gedurende deze periode aan de voorwaarden houdt (bijvoorbeeld geen nieuwe feiten plegen, begeleiding volgen), hoeft de uitgestelde straf niet te worden uitgevoerd. Het doel hiervan is de veroordeelde een kans te geven zich te herpakken zonder onmiddellijke opsluiting, vaak met een focus op re-integratie en gedragsverandering.
Vraag 2: Waarom wordt een contactverbod dat tijdens het onderzoek gold, soms niet voortgezet na een veroordeling?
Tijdens het gerechtelijk onderzoek en de voorlopige hechtenis kunnen er voorlopige maatregelen, zoals een contactverbod, worden opgelegd om de openbare orde te bewaren of slachtoffers te beschermen. Deze maatregelen zijn van tijdelijke aard en vervallen in principe wanneer de rechter een definitief vonnis uitspreekt. Als de rechter in het vonnis geen nieuw contactverbod oplegt als onderdeel van de straf (bijvoorbeeld als voorwaarde bij uitstel) of als een autonome maatregel, dan houdt het eerdere, tijdelijke contactverbod op te bestaan. Dit kan leiden tot een gevaarlijke situatie voor slachtoffers in de periode tussen het vonnis en het definitief worden van de straf.
Vraag 3: Welke rol speelt overbevolking in gevangenissen bij de uitvoering van straffen?
De chronische overbevolking in Belgische gevangenissen heeft een directe impact op de uitvoering van gevangenisstraffen. Vanwege het tekort aan plaatsen en middelen, worden korte gevangenisstraffen (vaak zes maanden of minder) in de praktijk zelden onmiddellijk uitgevoerd. De Dienst Strafuitvoering geeft prioriteit aan langere straffen en gevaarlijkere criminelen. Dit betekent dat veroordeelden met korte straffen vaak op vrije voeten blijven, soms jarenlang, in afwachting van een oproep die misschien nooit komt, of dat alternatieve straffen zoals elektronisch toezicht worden overwogen. Dit beleid, hoewel noodgedwongen, ondermijnt de geloofwaardigheid van het strafrecht en kan leiden tot een gevoel van straffeloosheid.
Wat is de rol van het openbaar ministerie na een veroordeling in zo'n zaak?
Na een veroordeling bewaakt het openbaar ministerie (OM) de correcte uitvoering van de opgelegde straf. Het OM kan bijvoorbeeld de tenuitvoerlegging van een effectieve gevangenisstraf vorderen, toezien op de naleving van voorwaarden bij straffen met uitstel, en in beroep gaan tegen uitspraken als zij vinden dat de straf te licht is of de wet onjuist is toegepast. Ze spelen een cruciale rol in het bewaken van de rechtsstaat en de bescherming van de maatschappij.
Welke mogelijkheden heeft een slachtoffer als een veroordeelde vrij blijft en er geen contactverbod meer is?
Als een veroordeelde vrij blijft en er geen gerechtelijk contactverbod meer geldt, kan een slachtoffer verschillende stappen ondernemen. Slachtoffers kunnen een burgerlijke procedure opstarten voor het bekomen van een contactverbod, al dan niet onder dwangsom, of een klacht indienen bij de politie bij overtreding van de algemene strafwetgeving (bv. belaging). In dringende gevallen kan via de vrederechter een contactverbod worden aangevraagd op basis van artikel 1341 van het Gerechtelijk Wetboek, mits er sprake is van ernstig en onmiddellijk gevaar.
Kan een veroordeling met uitstel later alsnog worden omgezet in een effectieve straf?
Ja, een veroordeling met uitstel kan later alsnog worden omgezet in een effectieve straf. Dit gebeurt wanneer de veroordeelde de opgelegde voorwaarden (bijvoorbeeld een contactverbod, een alcoholverbod of het volgen van therapie) niet naleeft, of wanneer hij tijdens de proefperiode nieuwe strafbare feiten pleegt. De rechter kan dan, na een hernieuwd onderzoek, besluiten het uitstel te herroepen en de oorspronkelijk uitgesproken straf alsnog volledig of gedeeltelijk te laten uitvoeren.
Wat is het verschil tussen voorlopige hechtenis en een effectieve gevangenisstraf?
Voorlopige hechtenis is een bewarende maatregel die tijdens het onderzoek wordt toegepast om te voorkomen dat een verdachte vlucht, bewijzen vernietigt, of nieuwe feiten pleegt. Het is geen straf, maar een veiligheidsmaatregel. Een effectieve gevangenisstraf daarentegen is een definitieve straf die wordt opgelegd na een veroordeling door de rechter, en is bedoeld als vergelding en ter voorkoming van toekomstige misdrijven.
Veelgestelde vragen
Handige Tools
Gebruik onze gratis tools om direct inzicht te krijgen in uw situatie:
Meer over Strafrecht
Professionele verdediging bij strafrechtelijke procedures.
Vragen over dit onderwerp?
Neem vrijblijvend contact op voor persoonlijk advies van onze advocaten in Brugge.